et gebeurde zomaar op een doordeweekse dag, ruim tien jaar geleden. Het was op een trainingsveld dat inmiddels niet meer bestaat en het best omschreven kan worden als een stuk kleigrond met hier en daar een grasspriet. Op dat vervallen stuk grond beleefde ik tijdens mijn vroege tienerjaren een van mijn meest euforische sportmomenten ooit.  

 

De wekelijkse voetbaltraining bestond destijds vooral uit dribbeloefeningen, passing, afronding en corners. Die avond was alles anders. Mijn twee trainers uit die tijd schotelde ons een heuse conditietraining voor. Een half uur rondjes rennen om het oude trainingsveld stond op ons programma die avond. Degene die de grootste afstand aflegde werd een zakje snoep uit de clubkantine beloofd.

En u raad het waarschijnlijk al: ik won. Al vanaf minuut één was ik duidelijk de beste. Ik lag al snel voorop en rende door en door en door. Ik haalde één voor één mijn vriendjes in. Die ene jongen die het langst bij mij in de buurt bleef moest er uiteindelijk ook aan geloven. Ik bleef doorrennen en won met overmacht. Het zakje snoep was van mij (ook al heb ik dat zakje nooit daadwerkelijk ontvangen).

De euforie die ik voelde was immens. Ik had zojuist mijn voetbalmaatjes verslagen en voelde mij onoverwinnelijk. Ik was de beste en de snelste. Ik kon de hele wereld aan. Met twinkelende oogjes en een big smile keerde ik huiswaarts om mijn familie vol trots te vertellen over mijn prestatie. Ik legde uit hoe ik won en dat ik de beste was. De euforie gierde door mijn lijf.

Déjà vu

Op vrijdag 10 juli 2015 kreeg ik een déjà vu. Ik zag opnieuw twinkelende oogjes, immense euforie en een glimlach van oor tot oor. Ik zag een kleine jongen die na de zevende Touretappe vol trots vertelde over zijn zojuist behaalde overwinning. Hij vertelde hoe hij de concurrentie te slim af was en hoe blij hij daarmee was. Ik zag mijzelf terug in de ogen van Mark Cavendish. De twinkeling in zijn de ogen deden mij direct terugdenken aan mijn glorieuze moment van ruim tien jaar geleden.

En toegegeven, ik ben niet altijd gecharmeerd van Mark Cavendish. Hij gooit zich (vaak letterlijk) vol in de strijd en is niet bang om hier en daar een tik uit te delen. Wanneer de kleine Brit verliest geeft hij alles en iedereen de schuld, behalve zichzelf. Maar wanneer hij wint is hij de liefste jongen uit het peloton. Hij bedankt alles en iedereen wanneer hij wint en smijt vervolgens met complimenten. Wanneer Mark Cavendish wint loopt hij met twinkelende oogjes in de rondte. Zelfs tranen ontbreken niet na een etappezege in de Tour. Kortom: Mark Cavendish is een zeer emotionele jongen.

Verschil

Diezelfde twinkelende oogjes. Diezelfde euforie. Diezelfde glimlach. Van oor tot oor. Ik heb ooit gevoeld wat Mark Cavendish nu voelde. Toch is er weldegelijk een groot verschil tussen mij en Cav. Hoogstwaarschijnlijk gaat de kleine Brit nu weer op zoek naar zijn volgende moment van euforie. Hoogstwaarschijnlijk zien wij hem binnen de kortste keren opnieuw met twinkelende oogjes voor de camera. Hoogstwaarschijnlijk volgt er binnenkort een nieuw euforisch hoogtepunt in zijn leven.

Voor mij geldt dit niet. Ik heb mijn hoogtijdagen inmiddels achter de rug. Waar Cavendish op zoek gaat naar een nieuw moment van euforie wacht ik nog steeds op mijn zakje snoep. Ik heb het nog altijd niet gekregen.